Een nieuwe dag in de buurt

Het is ochtend in de rustige buurt. De zon schijnt door de grote ramen van een mooi huis. Anna wordt wakker in haar slaapkamer op de eerste verdieping. Ze stapt uit haar bed en loopt over het tapijt naar de kleerkast om haar kleren te pakken.

Ze loopt naar beneden via de trap naar de benedenverdieping. De hal ruikt naar verse bloemen. Ze komt binnen in de woonkamer en loopt door naar de keuken om ontbijt te maken. Ze zet de waterkoker aan, pakt een kopje uit de keukenkast en opent de koelkast voor wat melk. Aan de eettafel met vier stoelen geniet ze rustig van haar kopje koffie en een croissant.

Illustration
Illustration

Woordenschat 1 🏘️

Le vocabulaire de la maison, des pièces, des meubles et du quartier.

1. Soorten woningen

het huisla maison
de woningle logement
het appartementl'appartement
de villala villa
de tuinle jardin
het terrasla terrasse
de garagele garage

2. De kamers

de woonkamerle salon
de keukenla cuisine
de eetkamerla salle à manger
de slaapkamerla chambre
de badkamerla salle de bain
het toiletles toilettes
de zolderle grenier
de kelderla cave
de gangle couloir

3. Het meubilair

de sofale canapé
de stoella chaise
de tafella table
het bedle lit
de kastl'armoire
de lampla lampe
het raamla fenêtre
de deurla porte
het bureaule bureau
de spiegelle miroir
het tapijtle tapis

4. De buurt

de straatla rue
de wijkle quartier
het dorple village
de bakkerla boulangerie
de supermarktle supermarché
het parkle parc
rustigcalme
drukanimé
gezelligconvivial
saaiennuyeux

Oefeningen: Test je kennis ! 🧠

Oefening 1: Wat betekent het ?

1. De zolder
2. De sofa
3. De wijk
4. Gezellig
5. De spiegel
6. Het terras

Oefening 2: Vul de zinnen aan !

Complète avec : kast, kelder, keuken, rustig, supermarkt, tuin.

a) We eten elke avond samen in de .
b) Mijn fiets staat beneden, in de .
c) In de zomer spelen we vaak in de .
d) Ik koop brood en melk in de .
e) Mijn kleren liggen netjes in de .
f) Onze straat is heel , er is bijna geen verkeer.

Oefening 3: Zoek de indringer !

1. Kamers:
2. Meubels:
3. Buurt:
4. Adjectieven:
5. Woning:

Oefening 4: Vertaal de zinnen

a) "Mon père est dans le jardin." ➡️
b) "Notre quartier est très calme et agréable." ➡️
c) "Il y a un parc en face de chez nous." ➡️
d) "Ma chambre est en haut, à côté de la salle de bain." ➡️
e) "Nous habitons dans un appartement en ville." ➡️