Een zondag in de stad

Het was zondagmiddag en Anna liep door de drukke straat. Ze stopte voor de etalage van een kledingwinkel. Deze blauwe jas vond ze meteen prachtig, maar die groene jas verderop in de etalage zag er stiekem ook heel erg leuk uit.

Ze liep naar binnen en wees naar het rek. "Mag ik dit jasje even passen ?" vroeg ze aan de verkoper. "Bedoel je dat jasje daar op de pop ?" vroeg hij terug. "Nee, ik bedoel deze hier, en misschien ook die zwarte tas op de tafel."

Uiteindelijk kocht ze deze tas en liep ze tevreden de winkel uit. Dat was een geslaagde middag !

Illustration

Grammatica 1 ⚡

Pour montrer un objet ou décrire l'emplacement de quelque chose dans une maison ou un quartier, on a besoin des démonstratifs et des prépositions de lieu.

1. Aanwijzende voornaamwoorden (démonstratifs)

deze de-woord · proche

deze kamer, deze tafel

die de-woord · loin

die kamer, die tafel

dit het-woord · proche

dit huis, dit bed

dat het-woord · loin

dat huis, dat bed

👉 Comme pour les possessifs, tout dépend si le nom est un de-woord (deze/die) ou un het-woord (dit/dat).

⚠️ Astuce pour ne pas se tromper

Demande-toi d'abord : "de" ou "het" ? Puis : l'objet est-il proche de moi (ici) ou loin (là-bas) ?

de tafel → deze tafel (proche) / die tafel (loin)
het huis → dit huis (proche) / dat huis (loin)

2. Voorzetsels van plaats (prépositions de lieu)

in / op / onder / bovendans / sur / sous / au-dessus de
naast / tussen / achter / voorà côté de / entre / derrière / devant
tegenover / vlakbij / om de hoeken face de / tout près / au coin de la rue
links van / rechts vanà gauche de / à droite de
De lamp staat op de tafel, tussen de boeken en de computer.
De supermarkt is tegenover de school, vlakbij het park.

3. "Er is" / "Er zijn" (il y a)

Pour dire qu'il y a quelque chose à un endroit, on utilise er is (singulier) ou er zijn (pluriel) :

Er is een park in onze buurt. (il y a un parc...)
Er zijn twee bedden in deze kamer. (il y a deux lits...)

Oefening 1 : Deze, die, dit of dat ? 🧠

Choisis le bon démonstratif selon le contexte (proche/loin) et le type de mot (de/het).

a) Kijk eens naar foto hier — dat ben ik op vakantie ! (de foto, proche)
b) Wie woont er in grote huis daarginds ? (het huis, loin)
c) Mag ik stoel gebruiken, naast mij ? (de stoel, proche)
d) bed is van mij, en dat bed daar is van mijn broer. (het bed, proche)
e) Ken je jongen daar, aan de overkant ? (de jongen, loin)
f) appartement op de hoek staat al jaren leeg. (het appartement, loin)

Oefening 2 : Vul het juiste voorzetsel in ! 🧠

Choisis parmi : achter, naast, op, onder, tegenover, tussen.

a) De lamp staat mijn bureau.
b) Mijn schoenen liggen mijn bed.
c) De badkamer is mijn slaapkamer.
d) Het park ligt de school en de bibliotheek.
e) De bakker is ons huis, aan de overkant.
f) De tuin is het huis.

Oefening 3 : Zet de zinnen in de juiste volgorde 🧠

Clique sur les mots dans le bon ordre pour reconstruire la phrase.

1. (een grote kast / Er / in mijn kamer / is)

een grote kast Er in mijn kamer is .

2. (twee winkels / Er / vlakbij ons huis / zijn)

twee winkels Er vlakbij ons huis zijn .

3. (Deze tafel / tussen de bank / staat / en het raam)

Deze tafel tussen de bank staat en het raam .

4. (op de hoek / Dat huis / heel oud / is)

op de hoek Dat huis heel oud is .

5. (heel rustig / Onze buurt / en groen / is)

heel rustig Onze buurt en groen is .