← Terug
Thema 3 - Stap 3

Grammatica 1 : Deze, die, dit, dat... en waar precies ? ⚡

Pour montrer un objet ou décrire l'emplacement de quelque chose dans une maison ou un quartier, on a besoin des démonstratifs et des prépositions de lieu.

1. Aanwijzende voornaamwoorden (démonstratifs)

ProcheLoin
de-woorddeze kamer, deze tafeldie kamer, die tafel
het-woorddit huis, dit beddat huis, dat bed

👉 Comme pour les possessifs, tout dépend si le nom est un de-woord (deze/die) ou un het-woord (dit/dat).

⚠️ Astuce pour ne pas se tromper

Demande-toi d'abord : "de" ou "het" ? Puis : l'objet est-il proche de moi (ici) ou loin (là-bas) ?

👉 de tafeldeze tafel (proche) / die tafel (loin)

👉 het huisdit huis (proche) / dat huis (loin)

2. Voorzetsels van plaats (prépositions de lieu)

in / op / onder / bovendans / sur / sous / au-dessus de
naast / tussen / achter / voorà côté de / entre / derrière / devant
tegenover / vlakbij / om de hoeken face de / tout près / au coin de la rue
links van / rechts vanà gauche de / à droite de

👉 De lamp staat op de tafel, tussen de boeken en de computer.

👉 De supermarkt is tegenover de school, vlakbij het park.

3. "Er is" / "Er zijn" (il y a)

Pour dire qu'il y a quelque chose à un endroit, on utilise er is (singulier) ou er zijn (pluriel) :

Er is een park in onze buurt. (il y a un parc...)

Er zijn twee bedden in deze kamer. (il y a deux lits...)

Oefening 1 : Deze, die, dit of dat ? 🧠

Choisis le bon démonstratif selon le contexte (proche/loin) et le type de mot (de/het).

a) Kijk eens naar foto hier — dat ben ik op vakantie ! (de foto, proche)
b) Wie woont er in grote huis daarginds ? (het huis, loin)
c) Mag ik stoel gebruiken, naast mij ? (de stoel, proche)
d) bed is van mij, en dat bed daar is van mijn broer. (het bed, proche)
e) Ken je jongen daar, aan de overkant ? (de jongen, loin)
f) appartement op de hoek staat al jaren leeg. (het appartement, loin)

Oefening 2 : Vul het juiste voorzetsel in ! 🧠

Choisis parmi : achter, naast, op, onder, tegenover, tussen.

a) De lamp staat mijn bureau.
b) Mijn schoenen liggen mijn bed.
c) De badkamer is mijn slaapkamer.
d) Het park ligt de school en de bibliotheek.
e) De bakker is ons huis, aan de overkant.
f) De tuin is het huis.

Oefening 3 : Zet de zinnen in de juiste volgorde 🧠

Clique sur les mots dans le bon ordre pour reconstruire la phrase.

1. (een grote kast / Er / in mijn kamer / is)

een grote kast Er in mijn kamer is

2. (twee winkels / Er / vlakbij ons huis / zijn)

twee winkels Er vlakbij ons huis zijn

3. (Deze tafel / tussen de bank / staat / en het raam)

Deze tafel tussen de bank staat en het raam

4. (op de hoek / Dat huis / heel oud / is)

op de hoek Dat huis heel oud is

5. (heel rustig / Onze buurt / en groen / is)

heel rustig Onze buurt en groen is