Op school

Het is maandagochtend en de schoolbel ringt luid. Alle leerlingen haast zich door de grote ingang naar binnen. In de drukke gang staan vrienden bij hun kluisje te kletsen voordat de les begint.

Mevrouw Jansen, onze strenge lerares wiskunde, loopt met een stapel schriften en een pen in haar hand naar lokaal 204. Ze roept: "Kom op, iedereen naar binnen ! Haal je boek, je etui en je rekenmachine tevoorschijn !"

Ik zet snel mijn zware rugzak op de stoel en ga achter mijn tafel zitten. Mijn beste vriend zit naast me. Hij zoekt haastig naar zijn agenda om zijn huiswerk te controleren. Aan de muur hangt een groot bord en vlakbij staat het digibord dat de lerares gebruikt voor haar presentatie.

Illustration
Illustration

Woordenschat 2 🏫

Les lieux, les personnes et les activités de la vie scolaire au sens large.

1. Plekken op school

de speelplaatsla cour de récréation
de gangle couloir
de refterle réfectoire
de bibliotheekla bibliothèque
het secretariaatle secrétariat
de turnzaalla salle de gym
de leraarskamerla salle des professeurs

2. Mensen op school

de leerkrachtl'enseignant
de leraarle professeur
de leraresa professeure
de directeurle directeur
de leerlingl'élève
de klasgenootle camarade de classe
de opvoederl'éducateur

3. Activiteiten en momenten

de speeltijdla récréation
de middagpauzela pause de midi
een toetsune interrogation
een examenun examen
een rapportun bulletin
een uitstapune sortie
een schoolreisun voyage scolaire
naschoolse opvangla garderie après l'école
studiel'étude

4. Werkwoorden van de schooldag

naar school gaanaller à l'école
de les volgensuivre le cours
een toets afleggenpasser un test
slagenréussir
buizenéchouer
spiekencopier
een fout makenfaire une erreur
vragen stellenposer des questions
antwoordenrépondre

Oefeningen: Test je kennis ! 🧠

Oefening 1: Wat betekent het ?

1. De refter
2. De opvoeder
3. Slagen
4. Het rapport
5. Spieken
6. De klasgenoot

Oefening 2: Vul de zinnen aan !

Complète avec : uitstap, middagpauze, directrice, toets, secretariaat, buist.

a) Volgende week hebben we een Nederlands.
b) We eten samen tijdens de .
c) Onze school heeft een nieuwe .
d) Ga naar het als je een document nodig hebt.
e) In juni gaan we op naar Brugge.
f) Ik hoop dat ik niet voor wiskunde !

Oefening 3: Zoek de indringer !

1. Plekken:
2. Mensen:
3. Werkwoorden:
4. Activiteiten:
5. Mensen (2):

Oefening 4: Vertaal de zinnen

a) "L'éducateur est dans le couloir." ➡️
b) "Nous avons une interrogation de mathématiques jeudi." ➡️
c) "Va voir le directeur si tu as un problème." ➡️
d) "Mon camarade de classe pose toujours beaucoup de questions." ➡️
e) "J'espère réussir mon examen de néerlandais." ➡️