← Terug Champ lexical 3

☀️ Vie quotidienne

Routine, tâches ménagères, repas et expressions de temps.

📑 Categorieën : De dagelijkse routine Huishoudelijke taken Maaltijden Tijd en tijdstip Feesten & tradities in België en Nederland Zakgeld & financiën voor jongeren 🧠 Oefeningen

📚 Woordenschat

De dagelijkse routine↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
opstaan—se leverIk sta op om zeven uur op.
zich wassen—se laverZe wast zich snel in de ochtend.
zich aankleden—s'habillerHij kleedt zich aan voor school.
ontbijten—déjeuner (le matin) / prendre le petit-déjeunerZe ontbijt om half acht.
naar school gaan—aller à l'écoleHij gaat elke dag naar school.
naar werk gaan—aller au travailMijn moeder gaat vroeg naar werk.
thuiskomen—rentrer à la maisonIk kom om vier uur thuis.
avondeten—dîner / souperWe avondeten om zes uur.
zich ontspannen—se détendre / se relaxerHij ontspant zich voor de tv.
naar bed gaan—aller au lit / se coucherZe gaat om tien uur naar bed.
vroeg opstaan—se lever tôtHij staat altijd vroeg op.
laat opstaan—se lever tardIn het weekend sta ik laat op.
een douche nemendeprendre une doucheIk neem 's ochtends een douche.
tanden poetsendese brosser les dentsZe poetst haar tanden twee keer per dag.
zich scheren—se raserHij scheert zich elke ochtend.
make-up opdoen—se maquillerZe doet make-up op voor de spiegel.

Huishoudelijke taken↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
de tafel dekken—mettre la tableKun jij de tafel dekken?
de tafel afruimen—débarrasser la tableNa het eten ruimen we af.
de vaat doen / afwassen—faire la vaisselleIk doe de vaat na het eten.
stofzuigen—passer l'aspirateurZe stofzuigt de woonkamer.
dweilen—passer la serpillièreHij dweilt de keuken elke week.
opruimen—rangerRuim je kamer op!
de was doendefaire la lessiveZe doet de was op zaterdag.
strijken—repasserMijn vader strijkt altijd.
koken—cuisiner / faire la cuisineZe kookt graag voor het gezin.
boodschappen doendefaire les coursesWe doen boodschappen op vrijdag.
de vuilnis buiten zettendesortir les poubellesHij zet de vuilnis buiten op dinsdag.
de planten water gevendearroser les plantesZe geeft de planten elke dag water.
de hond uitlatendepromener le chienIk laat de hond twee keer per dag uit.

Maaltijden↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
het ontbijthetle petit-déjeunerHet ontbijt is de belangrijkste maaltijd.
de lunch / het middagmaalde / hetle déjeuner / le repas de midiWe eten boterhammen als lunch.
het avondeten / dinerhetle dîner / le souperHet avondeten is om zes uur.
een tussendoortjehetun en-cas / une collationZe eet een tussendoortje om vier uur.
boterhammen smerendepréparer des tartinesHij smeert boterhammen voor de lunch.
een warme maaltijd kokendepréparer un repas chaudZe kookt elke avond een warme maaltijd.
eten bestellen—commander à mangerWe bestellen eten op vrijdag.
takeawaydeà emporter / livraisonWe nemen takeaway van de pizzeria.
honger hebben—avoir faimIk heb al honger!
dorst hebben—avoir soifHeb jij ook dorst?
smakelijk eten!—bon appétit !Smakelijk eten, iedereen!

Tijd en tijdstip↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
's ochtends—le matin's Ochtends drink ik koffie.
's middags—à midi / l'après-midi's Middags eet ik boterhammen.
's avonds—le soir's Avonds kijken we tv.
's nachts—la nuit's Nachts slaap ik acht uur.
vroeg—tôt / de bonne heureZe staat vroeg op.
laat—tardHij komt laat thuis.
op tijd—à l'heure / à tempsZe is altijd op tijd op school.
te laat—en retardHij is te laat voor de bus.
gewoonlijk—d'habitude / généralementGewoonlijk eet ik om zes uur.
altijd—toujoursIk poets altijd mijn tanden.
nooit—jamais / ne … jamaisHij ontbijt nooit.
soms—parfois / quelquefoisSoms neem ik een bad.
vaak—souventZe kookt vaak pasta.

Feesten & tradities in België en Nederland↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
Sinterklaas (6 december)dela Saint-Nicolas (6 décembre)Op 5 december zet de Sint cadeautjes in de schoen.
de Sintdele Saint-Nicolas / le père FouettardDe Sint komt uit Spanje per stoomboot.
de Pietdele Père Fouettard / le compagnon de Saint-NicolasDe Pieten gooien snoepgoed.
het snoepgoedhetles friandises / les bonbonsKinderen krijgen snoepgoed van de Sint.
de schoen zetten—mettre sa chaussure (pour recevoir des cadeaux)We zetten onze schoen 's avonds klaar.
pakjesavonddela soirée des cadeaux (5 décembre)Pakjesavond is op 5 december in Nederland.
Kerstmis (25–26 december)—Noël (25–26 décembre)We vieren Kerstmis met het gezin.
de kerstboomdele sapin de NoëlWe versieren de kerstboom op 24 december.
de kerstmandele père NoëlDe kerstman brengt geschenken.
geschenkendedes cadeauxWe geven geschenken aan onze familie.
Nieuwjaar (1 januari)—le Nouvel An (1er janvier)We vieren Nieuwjaar met vuurwerk.
het vuurwerkhetle feu d'artificeEr is vuurwerk om middernacht.
goede voornemensdeles bonnes résolutionsMijn goed voornemen is meer sporten.
Pasen—PâquesMet Pasen zoeken kinderen eieren in de tuin.
paaseieren zoeken—chercher des œufs de PâquesZe zoeken paaseieren in het gras.
de paashaasdele lapin de PâquesDe paashaas verstopt de eieren.
Carnaval—le carnavalMet carnaval zijn er optochten en kostuums.
het maskerhetle masqueZe draagt een masker met carnaval.
de optochtdele défilé / le cortègeEr is een grote optocht door de stad.
verkleed zijn—être déguisé(e)De kinderen zijn verkleed als piraten.
Moederdag / Vaderdag—la fête des Mères / la fête des PèresWe geven bloemen op Moederdag.
Halloween—HalloweenMet Halloween gaan kinderen trick or treat.
Koningsdag (27 april)—la Fête du Roi (27 avril — Pays-Bas)Amsterdam is vol oranje op Koningsdag.
oranje—orange (couleur nationale des Pays-Bas)Iedereen draagt oranje op Koningsdag.
de vrijmarktdele marché libre / le vide-greniersOp de vrijmarkt kun je goedkoop spullen kopen.
Bevrijdingsdag (5 mei)—la Fête de la Libération (5 mai — Pays-Bas)Op 5 mei herdenken we het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Dodenherdenking (4 mei)dela Commémoration des morts (4 mai — Pays-Bas)Op 4 mei is er twee minuten stilte.
een feestje geven / organiseren—organiser une fêteZe geeft een feestje voor haar verjaardag.
uitgenodigd worden—être invité(e)Ik ben uitgenodigd voor het feestje.
een cadeau geven / krijgenhetoffrir / recevoir un cadeauZe krijgt veel cadeaus op haar verjaardag.
feliciteren—féliciterWe feliciteren haar met haar verjaardag.
gefeliciteerd!—félicitations ! / joyeux anniversaire !Gefeliciteerd met je verjaardag!
een wens doen—faire un vœuDoe een wens voor je de kaarsjes uitblaast.
proost!—santé ! / tchin-tchin !We klinken en zeggen "Proost!"
een kaarsje uitblazenhetsouffler une bougieZe blaast de kaarsjes uit op haar taart.
taart etendemanger du gâteau / de la tarteWe eten taart op zijn verjaardag.

Zakgeld & financiën voor jongeren↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
het zakgeldhetl'argent de pocheIk krijg tien euro zakgeld per week.
een bijbaantje hebbenhetavoir un petit boulot / un job étudiantZe heeft een bijbaantje in een winkel.
babysitter zijndeêtre baby-sitterHij is babysitter in het weekend.
klusjes doen (voor geld)hetfaire des petits travaux (contre rémunération)Ze doet klusjes voor de buren.
sparen—épargner / économiserIk spaar voor een nieuwe fiets.
een spaarpot / spaarrekening hebbende / deavoir une tirelire / un compte d'épargneMijn spaarpot is bijna vol.
geld uitgevenhetdépenser de l'argentHij geeft veel geld uit aan kleren.
geld lenen / terugbetalenhetemprunter / rembourser de l'argentZe leent geld van haar vriend.
een euro / een centde / deun euro / un centimeHet kost twee euro vijftig.
briefgeld (5€ / 10€ / 20€ / 50€)hetles billets de banqueIk betaal met een briefje van twintig euro.
een rekeningdeune facture / une note / un compteDe rekening van het restaurant is 45 euro.
het saldohetle soldeIk controleer mijn saldo op de app.
rood staan—être à découvertZe staat rood op haar rekening.
een betaalkaartdeune carte de débit / une carte bancaireIk betaal met mijn betaalkaart.
een bankrekening openendeouvrir un compte bancaireZe opent haar eerste bankrekening op 16 jaar.
een budget opstellenhetétablir un budgetWe stellen een budget op voor de reis.
zuinig zijn—être économe / être radin(e)Hij is heel zuinig en spaart veel.
geld sparen voor …—économiser pour …Ze spaart voor een reis naar Spanje.
te duur vinden—trouver trop cherIk vind dat te duur voor een t-shirt.
betaalbaar / onbetaalbaar—abordable / inabordableDit appartement is niet betaalbaar voor studenten.
bewust consumeren—consommer de manière responsable / consommer consciemmentBewust consumeren betekent minder weggooien.

🧠 Oefeningen↑ Menu

🔢 Oefening 1 — Zet de dagelijkse routine in de juiste volgorde

Nummer de activiteiten van 1 (eerste) tot 6 (laatste) in een normale dag.

avondeten
opstaan
ontbijten
naar bed gaan
thuiskomen van school
naar school gaan

✏️ Oefening 2 — Een dag in het leven van Jonas

Vul aan met het juiste werkwoord: staat · poetst · eet · kookt · gaat · neemt

1. Jonas elke dag om zeven uur op.
2. Hij een douche en kleedt zich aan.
3. Hij zijn tanden voor hij vertrekt.
4. Om twaalf uur hij boterhammen als lunch.
5. Zijn moeder 's avonds een warme maaltijd.
6. Om tien uur hij naar bed.