← Terug Champ lexical 1

👤 Caractérisation des personnes

Physique, caractère, âge, famille et relations.

📑 Categorieën : Uiterlijk (het uiterlijk beschrijven) Karakter en persoonlijkheid Nationaliteiten, landen & talen (S1) Beroepen (S1 — métiers) Identiteit & contactgegevens (S1) Staten van geest & gemoedstoestand (S2) Kwaliteiten, zwaktes & vaardigheden (S3) Leeftijd en levensfasen Familie en relaties 🧠 Oefeningen

📚 Woordenschat

Uiterlijk (het uiterlijk beschrijven)↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
groot—grand(e)Hij is heel groot.
klein—petit(e)Ze is eerder klein van gestalte.
lang—grand(e) / long(ue)Hij heeft lang haar.
kort—court(e)Ze heeft kort haar.
dik—gros(se)De deur is dik.
slank—minceZe is slank en gespierd.
gespierd—musclé(e)Hij is zeer gespierd.
blond haarhetcheveux blondsZe heeft blond haar.
bruin haarhetcheveux brunsHij heeft bruin haar.
rood haarhetcheveux rouxZe heeft rood haar en sproeten.
zwart haarhetcheveux noirsHij heeft zwart haar.
grijs haarhetcheveux grisMijn oma heeft grijs haar.
blauwe ogendeyeux bleusZe heeft blauwe ogen.
groene ogendeyeux vertsHij heeft groene ogen.
bruine ogendeyeux marronZe heeft bruine ogen.
grijze ogendeyeux grisHij heeft grijze ogen.
een bril dragendeporter des lunettesZe draagt een bril.
een baard hebbendeavoir une barbeHij heeft een korte baard.
een snordeune moustacheMijn opa heeft een snor.
kuiltjesdedes fossettesZe heeft kuiltjes als ze lacht.
sproetendedes taches de rousseurHij heeft sproeten op zijn neus.

Karakter en persoonlijkheid↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
vriendelijk—aimable, gentil(le)Ze is altijd vriendelijk.
grappig—drôle, amusant(e)Hij is erg grappig.
verlegen—timideZe is een beetje verlegen.
brutaal—effronté(e), insolent(e)Wees niet zo brutaal!
eerlijk—honnêteHij is heel eerlijk.
lief—gentil(le), mignon(ne)Wat een lief kind!
chaotisch—chaotique, désorganisé(e)Zijn kamer is heel chaotisch.
gemotiveerd—motivé(e)Ze is gemotiveerd voor school.
lui—paresseux/paresseuseHij is soms lui.
serieus—sérieux/sérieuseZe is een serieuze leerling.
creatief—créatif/créativeHij is heel creatief.
sociaal—sociableZe is een sociaal persoon.
zelfstandig—autonome, indépendant(e)Hij werkt zelfstandig.
geduldig—patient(e)Ze is heel geduldig.
jaloers—jaloux/jalouseHij is jaloers op zijn broer.
nieuwsgierig—curieux/curieuseZe is altijd nieuwsgierig.

Nationaliteiten, landen & talen (S1)↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
België / BelgischhetBelgique / belgeIk ben Belg. / Ze is Belgisch.
Nederland / NederlandshetPays-Bas / néerlandais(e)Hij is Nederlander.
Frankrijk / FranshetFrance / français(e)Ze spreekt Frans.
Duitsland / DuitshetAllemagne / allemand(e)Hij is Duits.
Spanje / SpaanshetEspagne / espagnol(e)Ze is van Spaanse origine.
Italië / ItaliaanshetItalie / italien(ne)Hij spreekt Italiaans.
Portugal / PortugeeshetPortugal / portugais(e)Ze is Portugees.
Engeland / Brits / EngelshetAngleterre / britannique / anglais(e)Hij is Brits en spreekt Engels.
Amerika / AmerikaanshetAmérique / américain(e)Ze is Amerikaans.
China / ChineeshetChine / chinois(e)Hij spreekt Chinees.
Japan / JapanshetJapon / japonais(e)Ze is Japans.
Marokko / MarokkaanshetMaroc / marocain(e)Hij heeft de Marokkaanse nationaliteit.
Turkije / TurkshetTurquie / turc/turqueZe is van Turkse origine.
Polen / PoolshetPologne / polonais(e)Hij spreekt Pools.
Arabisch—arabeZe spreekt Arabisch thuis.
Welke talen spreek je?—Quelles langues parles-tu ?Welke talen spreek je?
Ik spreek ... en ...—Je parle ... et ...Ik spreek Nederlands en Frans.
Ik ben Belg/Belgisch—Je suis BelgeIk ben Belg. / Ik ben Belgisch.
Ze is van Nederlandse origine—Elle est d'origine néerlandaiseZe is van Nederlandse origine.
Hij heeft de Belgische nationaliteit—Il a la nationalité belgeHij heeft de Belgische nationaliteit.

Beroepen (S1 — métiers)↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
Beroepen in de zorg
de dokter / artsdele médecin / docteurMijn moeder is arts.
de verpleegster / verplegerdel'infirmière / l'infirmierZe werkt als verpleegster.
de tandartsdele/la dentisteIk ga naar de tandarts.
de apothekerdele/la pharmacien(ne)De apotheker geeft advies.
de kinesistdele/la kinésithérapeuteHij gaat naar de kinesist.
de psycholoogdele/la psychologueZe werkt als psycholoog.
Beroepen in het onderwijs
de leraar / leraresdele professeur / la professeureMijn vader is leraar.
de professordele/la professeur(e) d'universitéZe is professor aan de universiteit.
de directeurdele directeur / la directriceDe directeur spreekt de leerlingen toe.
de opvoederdel'éducateur/l'éducatriceDe opvoeder begeleidt de jongeren.
Beroepen in de techniek
de elektriciendel'électricien(ne)De elektricien herstelt de bedrading.
de loodgieterdele plombier / la plombièreWe hebben een loodgieter nodig.
de ingenieurdel'ingénieur(e)Hij is ingenieur bij een bedrijf.
de architectdel'architecteDe architect tekent het plan.
de programmeur / informaticusdele programmeur / l'informaticien(ne)Ze werkt als programmeur.
de monteurdele monteur / le mécanicienDe monteur herstelt de auto.
Beroepen in de dienstverlening
de ober / bediendedele serveur / la serveuseDe ober brengt de rekening.
de kokdele cuisinier / la cuisinièreDe kok bereidt het eten.
de bakkerdele boulanger / la boulangèreDe bakker maakt vers brood.
de slagerdele boucher / la bouchèreWe kopen vlees bij de slager.
de kapperdele coiffeur / la coiffeuseZe gaat naar de kapper.
de postbodedele facteur / la factriceDe postbode brengt de brieven.
de politieman / agentdele policier / l'agent de policeDe agent regelt het verkeer.
de brandweermandele pompierDe brandweerman blust het vuur.
de chauffeurdele chauffeur / le conducteurHij is chauffeur van een vrachtwagen.
Beroepen in de kunst & media
de acteur / actricedel'acteur / l'actriceZe is een bekende actrice.
de muzikantdele/la musicien(ne)Hij is muzikant in een band.
de fotograafdele/la photographeDe fotograaf maakt mooie foto's.
de journalistdele/la journalisteZe werkt als journalist bij een krant.
de schrijver / auteurdel'écrivain(e) / l'auteur(e)Hij is een bekende schrijver.
de regisseurdele réalisateur / la réalisatriceDe regisseur maakt een nieuwe film.
Beroepen in het bedrijfsleven
de advocaatdel'avocat(e)Ze is advocaat bij een groot kantoor.
de accountantdele/la comptableDe accountant controleert de boeken.
de managerdele/la managerHij is manager bij een bank.
de verkoper / verkoopsterdele vendeur / la vendeuseZe werkt als verkoopster in een winkel.
de zaakvoerderdele/la gérant(e)Hij is zaakvoerder van het bedrijf.
Phrases utiles
Wat is je beroep?—Quelle est ta profession ?Wat is je beroep?
Ik werk als ...—Je travaille comme ...Ik werk als leraar.
Ik wil later ... worden—Je veux devenir ... plus tardIk wil later dokter worden.
Mijn vader/moeder is ...—Mon père/ma mère est ...Mijn moeder is verpleegster.

Identiteit & contactgegevens (S1)↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
Adresgegevens
het adreshetl'adresseWat is jouw adres?
de straatdela rueIk woon in de Kerkstraat.
het nummerhetle numéroHet nummer is 24.
de postcodedele code postalDe postcode is 1000.
de staddela villeIk woon in de stad Gent.
het landhetle paysHet land is België.
Ik woon in de [straat] in [stad]—J'habite dans la [rue] à [ville]Ik woon in de Meir in Antwerpen.
Contactgegevens
het telefoonnummerhetle numéro de téléphoneWat is jouw telefoonnummer?
het e-mailadreshetl'adresse e-mailStuur een mail naar mijn e-mailadres.
het gsm-nummerhetle numéro de GSM / portableMijn gsm-nummer is 0470 12 34 56.
Mijn nummer is ...—Mon numéro est ...Mijn nummer is 0470 12 34 56.
Je kunt me bereiken op ...—Tu peux me joindre au ...Je kunt me bereiken op dit nummer.
Digitale identiteit
de gebruikersnaamdele nom d'utilisateurMijn gebruikersnaam is @cyn_nl.
het profielhetle profilZe heeft een mooi profiel.
het accounthetle compteHeb jij een account op Instagram?
de avatardel'avatarZijn avatar is een kat.
de biodela bio / la biographieZe heeft een grappige bio.
de nicknamedele surnom / pseudoZijn nickname is "Flash".
op Instagram/TikTok/Snapchat zitten—être sur Instagram/TikTok/SnapchatZit jij op TikTok?
een account aanmaken—créer un compteIk wil een account aanmaken.
je profiel instellen—configurer son profilZe stelt haar profiel in.
Nuances de couleurs
lichtblauw—bleu clairZe heeft een lichtblauwe trui.
donkerblauw—bleu foncéHij draagt een donkerblauwe jas.
lichtgroen—vert clairDe muur is lichtgroen.
donkergroen—vert foncéZe heeft donkergroene ogen.
lichtbruin—brun clair / marron clairHij heeft lichtbruin haar.
donkerbruin—brun foncé / marron foncéZe heeft donkerbruine ogen.
beige—beigeZe draagt een beige mantel.
crème—crèmeDe muren zijn crème van kleur.
turquoise—turquoiseZe heeft een turquoise jurk.
koraal—corailHaar lippen zijn koraal van kleur.
zalm—saumonZe draagt een zalmkleurige top.
bordeaux—bordeaux / bordeaux rougeHij heeft een bordeauxrode trui.
marine—marine / bleu marineZe draagt een marineblauwe rok.
mint—menthe / vert mentheHaar kamer is mintgroen.

Staten van geest & gemoedstoestand (S2)↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
vrolijk—joyeux/joyeuse, gai(e)Ze is altijd vrolijk.
somber—sombre, moroseHij is vandaag wat somber.
gespannen / gestrest—tendu(e) / stressé(e)Ze is gespannen voor de toets.
ontspannen—détendu(e), relaxé(e)Hij is ontspannen in het weekend.
opgewonden—excité(e), enthousiasteZe is opgewonden over het feest.
rustig—calme, tranquilleHij is altijd rustig.
nerveus—nerveux/nerveuseZe is nerveus voor de presentatie.
geconcentreerd—concentré(e)Hij is geconcentreerd aan het werk.
afgeleid—distrait(e)Ze is snel afgeleid in de klas.
verward—confus(e), désorienté(e)Hij is verward door de vraag.
geïnspireerd—inspiré(e)Ze is geïnspireerd om te tekenen.
gemotiveerd—motivé(e)Hij is gemotiveerd voor de les.
gedemotiveerd—démotivé(e)Ze voelt zich gedemotiveerd.
uitgeput—épuisé(e)Hij is uitgeput na het sporten.
energiek—énergiqueZe is energiek en actief.
Uitdrukkingen
Hoe voel je je?—Comment tu te sens ?Hoe voel je je vandaag?
Ik voel me ...—Je me sens ...Ik voel me goed / moe / blij.
Ik ben in een goede/slechte bui—Je suis de bonne/mauvaise humeurIk ben vandaag in een goede bui.
Ik heb zin om ...—J'ai envie de ...Ik heb zin om te spelen.
Ik heb geen zin om ...—Je n'ai pas envie de ...Ik heb geen zin om te studeren.
Ik ben niet in de stemming om ...—Je ne suis pas d'humeur à ...Ik ben niet in de stemming om te praten.

Kwaliteiten, zwaktes & vaardigheden (S3)↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
Kwaliteiten
creatief—créatif/créativeZe is heel creatief.
betrouwbaar—fiable, de confianceHij is betrouwbaar en serieus.
loyaal—loyal(e)Ze is een loyale vriendin.
georganiseerd—organisé(e)Hij is heel georganiseerd.
geduldig—patient(e)Ze is heel geduldig met kinderen.
getalenteerd—talentueux/talentueuseHij is getalenteerd in muziek.
sportief—sportif/sportiveZe is heel sportief.
muzikaal—musical(e), doué(e) en musiqueHij is muzikaal en speelt gitaar.
empathisch—empathiqueZe is heel empathisch.
leiderschap hebben—avoir du leadershipHij heeft veel leiderschap.
assertief zijn—être assertif/assertiveZe is assertief en zegt wat ze denkt.
Zwaktes
impulsief—impulsif/impulsiveHij reageert soms impulsief.
ongeduldig—impatient(e)Ze is ongeduldig in de rij.
chaotisch—chaotique, désorganisé(e)Zijn kamer is heel chaotisch.
verlegen—timideZe is verlegen in grote groepen.
perfectionistisch—perfectionnisteHij is te perfectionistisch.
vergeetachtig—oublieux/oublieuse, distrait(e)Ze is heel vergeetachtig.
koppig—têtu(e), obstiné(e)Hij is koppig en geeft niet toe.
onzeker—incertain(e), peu sûr(e) de soiZe is onzeker over haar keuze.
Vaardigheden (talenten)
goed kunnen tekenen—savoir bien dessinerHij kan heel goed tekenen.
een instrument bespelen—jouer d'un instrumentZe bespeelt de piano.
snel leren—apprendre viteHij leert snel nieuwe dingen.
goed communiceren—bien communiquerZe kan heel goed communiceren.
in een team werken—travailler en équipeHij werkt graag in een team.
problemen oplossen—résoudre des problèmesZe is goed in problemen oplossen.
talen leren—apprendre des languesHij leert graag talen.
Look & stijl
een stijlvolle look hebben—avoir un look élégantZe heeft altijd een stijlvolle look.
een sportieve look hebben—avoir un look sportifHij heeft een sportieve look.
een casual look hebben—avoir un look décontractéZe draagt altijd casual kleren.
een hippe look hebben—avoir un look branchéHij heeft een hippe look.
een alternatieve look hebben—avoir un look alternatifZe heeft een alternatieve stijl.
er verzorgd uitzien—avoir l'air soigné(e)Hij ziet er altijd verzorgd uit.
er slordig uitzien—avoir l'air négligé(e)Ze ziet er soms slordig uit.
trendy gekleed zijn—être habillé(e) à la modeHij is altijd trendy gekleed.
ouderwets gekleed zijn—être habillé(e) de façon démodéeZe vindt zichzelf niet ouderwets.

Leeftijd en levensfasen↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
een babydeun bébéDe baby slaapt.
een kindhetun enfantHet kind speelt buiten.
een tiener / adolescentdeun(e) adolescent(e)Ze is een tiener van 15 jaar.
een jongvolwassenedeun(e) jeune adulteHij is een jongvolwassene van 22.
een volwassenedeun(e) adulteVolwassenen betalen meer.
een bejaarde / ouderedeune personne âgéeDe oudere wandelt elke dag.
jong—jeuneZe is nog heel jong.
oud—vieux/vieille / âgé(e)Hij is niet zo oud.
geboren zijn in—être né(e) en / àZe is geboren in 2010.
x jaar oud zijn—avoir x ansHij is vijftien jaar oud.
een leeftijd hebbendeavoir un âgeWelke leeftijd heeft hij?

Familie en relaties↑ Menu

NederlandsArticleFrançaisVoorbeeld
de vaderdele pèreMijn vader werkt in Brussel.
de moederdela mèreHaar moeder is lerares.
de oudersdeles parentsMijn ouders zijn gescheiden.
de broerdele frèreIk heb één broer.
de zusdela sœurMijn zus is ouder dan ik.
de grootoudersdeles grands-parentsWe bezoeken onze grootouders.
het gezinhetla famille (nucléaire)Ons gezin bestaat uit vier personen.
de neefdele cousin / le neveuMijn neef woont in Gent.
de nichtdela cousine / la nièceZe is mijn nicht.
de oomdel'oncleMijn oom is heel grappig.
de tantedela tanteTante Lies bakt taart.
een vriend(in)deun(e) ami(e) / petit(e) ami(e)Ze is mijn beste vriendin.
een kennisdeune connaissanceHij is een kennis van mijn vader.
een buurdeun(e) voisin(e)Onze buren zijn erg vriendelijk.

🧠 Oefeningen↑ Menu

🧩 Oefening 1 — Welk woord past bij de beschrijving ?

1. Ze glimlacht altijd en helpt iedereen graag. Ze is …
vriendelijk
jaloers
brutaal
2. Hij zegt altijd de waarheid, ook als het moeilijk is. Hij is …
lui
eerlijk
verlegen
3. Ze heeft kleine rode vlekjes op haar neus en wangen. Dat zijn …
kuiltjes
een baard
sproeten
4. Hij is 2 jaar oud. Hij is een …
tiener
baby / peuter
bejaarde
5. Ze wil altijd alles weten en stelt veel vragen. Ze is …
nieuwsgierig
verlegen
chaotisch
6. De broer van mijn vader is mijn …
neef
oom
buur

✏️ Oefening 2 — Vul de zinnen aan

Kies het juiste woord uit de lijst: gespierd · grijs · verlegen · ogen · baard · zus

1. Mijn opa heeft haar.
2. Hij is heel omdat hij elke dag sport.
3. Ze durft niet veel te praten. Ze is een beetje .
4. Ze heeft groene en blond haar.
5. Hij heeft een lange en een snor.
6. Mijn is twee jaar jonger dan ik.