← Terug Référence · S1 → S3

📜 Temps primitifs

Tous les verbes irréguliers : infinitif, OVT, participe passé et auxiliaire. Cherche ou filtre pour retrouver un verbe en un clic.

177 werkwoorden
OVT = Onvoltooid Verleden Tijd (imparfait) VD = Voltooid Deelwoord (participe passé) zijn/hebben = les deux sont possibles selon le sens
Infinitief OVT VD Hulpww. Vertaling
aankleden (zich)kleedde aanaangekleedhebbens'habiller
afwassenwaste afafgewassenhebbenfaire la vaisselle
bakkenbaktegebakkenhebbencuire / faire cuire
bedriegenbedroogbedrogenhebbentromper
beginnenbegonbegonnenzijncommencer
beschrijvenbeschreefbeschrevenhebbendécrire
besluitenbeslootbeslotenhebbendécider / conclure
bestaanbestondbestaanhebbenexister
bevelenbevalbevolenhebbenordonner
bewegenbewoogbewogenhebbenbouger / mouvoir
bezoekenbezochtbezochthebbenvisiter
biddenbadgebedenhebbenprier
biedenboodgebodenhebbenoffrir
bijtenbeetgebetenhebbenmordre
bindenbondgebondenhebbenlier / attacher
blazenbliesgeblazenhebbensouffler
blijkenbleekgeblekenzijns'avérer
blijvenbleefgeblevenzijnrester
blinkenblonkgeblonkenhebbenbriller / luire
brekenbrakgebrokenzijn/hebbencasser / se briser
brengenbrachtgebrachthebbenapporter
buigenbooggebogenhebbenplier / courber
denkendachtgedachthebbenpenser
doendeedgedaanhebbenfaire
dragendroeggedragenhebbenporter
drijvendreefgedrevenzijn/hebbenflotter / dériver
drinkendronkgedronkenhebbenboire
duikendookgedokenzijn/hebbenplonger
dwingendwonggedwongenhebbenforcer / contraindre
etenatgegetenhebbenmanger
fluitenflootgeflotenhebbensiffler
gaanginggegaanzijnaller
geldengoldgegoldenhebbenvaloir / s'appliquer
genezengenasgenezenzijnguérir
genietengenootgenotenhebbenprofiter / jouir de
gevengafgegevenhebbendonner
gietengootgegotenhebbenverser / couler
glijdengleedgegledenzijnglisser
glimmenglomgeglommenhebbenbriller / luire
gravengroefgegravenhebbencreuser
grijpengreepgegrepenhebbensaisir / attraper
groeiengroeidegegroeidzijngrandir / pousser
hangenhinggehangenhebbenêtre suspendu / pendre
hebbenhadgehadhebbenavoir
heffenhiefgehevenhebbenlever / soulever
helpenhielpgeholpenhebbenaider
hetenheettegehetenhebbens'appeler
houdenhieldgehoudenhebbentenir / aimer
jagenjoeggejaagdhebbenchasser
kiezenkoosgekozenhebbenchoisir
kijkenkeekgekekenhebbenregarder
klimmenklomgeklommenzijngrimper
klinkenklonkgeklonkenhebbenrésonner / sonner
komenkwamgekomenzijnvenir
kopenkochtgekochthebbenacheter
krijgenkreeggekregenhebbenrecevoir / obtenir
krimpenkrompgekrompenzijnrétrécir
kruipenkroopgekropenzijnramper
kunnenkongekundhebbenpouvoir
lachenlachtegelachenhebbenrire
ladenlaaddegeladenhebbencharger
latenlietgelatenhebbenlaisser / faire faire
lezenlasgelezenhebbenlire
liegenlooggelogenhebbenmentir
liggenlaggelegenhebbenêtre couché / situé
lijdenleedgeledenhebbensouffrir
lijkenleekgelekenhebbensembler / ressembler
lopenliepgelopenzijn/hebbenmarcher / courir
meenemennam meemeegenomenhebbenemporter / emmener
metenmatgemetenhebbenmesurer
moetenmoestgemoetenhebbendevoir
mogenmochtgemogenhebbenavoir le droit
nemennamgenomenhebbenprendre
ontbijtenontbeetontbetenhebbenprendre le petit-déjeuner
ontmoetenontmoetteontmoethebbenrencontrer
ontvangenontvingontvangenhebbenrecevoir / accueillir
opbellenbelde opopgebeldhebbentéléphoner
opstaanstond opopgestaanzijnse lever
prijzenpreesgeprezenhebbenlouer / faire l'éloge de
radenraaddegeradenhebbendeviner / conseiller
rijdenreedgeredenzijnrouler
rijzenreesgerezenzijnmonter / s'élever
roepenriepgeroepenhebbenappeler / crier
ruikenrookgerokenhebbensentir (une odeur)
scheidenscheiddegescheidenzijnse séparer / divorcer
scheldenscholdgescholdenhebbeninjurier
schenkenschonkgeschonkenhebbenoffrir / verser
scheppenschiepgeschapenhebbencréer
scherenschoorgeschorenhebbenraser
schietenschootgeschotenhebbentirer
schijnenscheengeschenenhebbenbriller (soleil) / sembler
schrijvenschreefgeschrevenhebbenécrire
schrikkenschrokgeschrokkenzijnavoir peur / sursauter
schuivenschoofgeschovenhebbenpousser / glisser
slaansloeggeslagenhebbenfrapper
slapensliepgeslapenhebbendormir
slijtensleetgesletenhebbenuser / s'user
sluitenslootgeslotenhebbenfermer
smeltensmoltgesmoltenzijnfondre
smijtensmeetgesmetenhebbenjeter (avec force)
snijdensneedgesnedenhebbencouper
spannenspandegespannenhebbentendre
spijtenspeetgespetenhebbenregretter (impers. het spijt me)
splijtenspleetgespletenzijnse fendre
sprekensprakgesprokenhebbenparler
springenspronggesprongenzijnsauter
spuitenspootgespotenhebbeninjecter / gicler
staanstondgestaanhebbenêtre debout
stekenstakgestokenhebbenpiquer
stelenstalgestolenhebbenvoler (dérober)
stervenstierfgestorvenzijnmourir
stijgensteeggestegenzijnmonter / augmenter
strijdenstreedgestredenhebbencombattre / lutter
strijkenstreekgestrekenhebbenrepasser / caresser
sturenstuurdegestuurdhebbenenvoyer
tredentradgetredenzijnentrer / marcher
treffentrofgetroffenhebbentoucher / rencontrer
trekkentrokgetrokkenzijn/hebbentirer / partir
trouwentrouwdegetrouwdzijnse marier
uitleggenlegde uituitgelegdhebbenexpliquer
vallenvielgevallenzijntomber
vangenvinggevangenhebbenattraper
varenvoergevarenzijn/hebbennaviguer
vechtenvochtgevochtenhebbense battre
verbergenverborgverborgenhebbencacher
verbiedenverboodverbodenhebbeninterdire
verbindenverbondverbondenhebbenrelier / connecter
verblijvenverbleefverblevenhebbenséjourner / résider
verdwijnenverdweenverdwenenzijndisparaître
vergelijkenvergeleekvergelekenhebbencomparer
vergetenvergatvergetenhebbenoublier
vergissen (zich)vergistevergisthebbense tromper
verkopenverkochtverkochthebbenvendre
verlatenverlietverlatenhebbenquitter
verliezenverloorverlorenhebbenperdre
verschijnenverscheenverschenenzijnapparaître
verslijtenversleetversletenhebbenuser / s'user
verslindenverslondverslondenhebbendévorer
verstaanverstondverstaanhebbencomprendre (une langue)
vertellenverteldeverteldhebbenraconter
vertrekkenvertrokvertrokkenzijnpartir
verzendenverzondverzondenhebbenenvoyer / expédier
verzinnenverzonverzonnenhebbeninventer / imaginer
vindenvondgevondenhebbentrouver
vliegenvlooggevlogenzijn/hebbenvoler
voorkomenvoorkwamvoorkomenhebbenprévenir / éviter
voorzienvoorzagvoorzienhebbenprévoir
vragenvroeggevraagdhebbendemander
vriezenvroorgevrorenhebbengeler
wassenwastegewassenhebbenlaver
wegenwooggewogenhebbenpeser
werpenwierpgeworpenhebbenjeter / lancer
wetenwistgewetenhebbensavoir
wijtenweetgewetenhebbenimputer / attribuer (la faute)
wijzenweesgewezenhebbenmontrer / indiquer
willenwilde / wougewildhebbenvouloir
windenwondgewondenhebbenenrouler
winnenwongewonnenhebbengagner
wordenwerdgewordenzijndevenir
wrekenwreektegewrokenhebbenvenger
wrijvenwreefgewrevenhebbenfrotter
wringenwronggewrongenhebbentordre / essorer
zeggenzeigezegdhebbendire
zendenzondgezondenhebbenenvoyer / émettre
zienzaggezienhebbenvoir
zijnwasgeweestzijnêtre
zingenzonggezongenhebbenchanter
zinkenzonkgezonkenzijncouler / sombrer
zittenzatgezetenhebbenêtre assis
zoekenzochtgezochthebbenchercher
zuigenzooggezogenhebbensucer / aspirer
zullenzou—hebbenaller (futur) / devoir
zwellenzwolgezwollenzijnenfler / gonfler
zwemmenzwomgezwommenhebbennager
zwerenzwoergezworenhebbenjurer
zwervenzwierfgezworvenhebbenerrer / vagabonder
zwijgenzweeggezwegenhebbense taire

Aucun verbe ne correspond à ta recherche.