Anna voelt zich niet goed vandaag. Ze voelt zich moe en alleen. Dan gaat ze naar buiten. De zon schijnt. Nu voelt ze zich al veel beter.
In het park ziet ze een vriend. Ze praten samen. Ze voelt zich vrolijk en blij. Wat een fijne dag !
Anna voelt zich niet goed vandaag. Ze voelt zich moe en alleen. Dan gaat ze naar buiten. De zon schijnt. Nu voelt ze zich al veel beter.
In het park ziet ze een vriend. Ze praten samen. Ze voelt zich vrolijk en blij. Wat een fijne dag !
Pour parler de tes émotions et de tes habitudes quotidiennes en néerlandais, tu as besoin des verbes pronominaux (réfléchis) — comme "zich voelen" (se sentir).
Un verbe pronominal se construit avec un pronom réfléchi qui renvoie au sujet (comme "se" en français : se sentir, s'ennuyer...). En néerlandais, ce pronom change selon la personne :
Ik voel me blij.
Hij verveelt zich op zondag.
We moeten ons haasten!
Sorry, ik vergis me vaak.
De kinderen amuseren zich in de tuin.
Mijn ouders maken zich zorgen.
Comme le verbe, le pronom réfléchi suit la règle de la 2e position du verbe conjugué — le pronom vient juste après :
⚠️ En cas d'inversion (question, ou phrase commençant par un complément), le pronom réfléchi suit le sujet :
Choisis parmi : me, je, ons, zich.
Clique sur les mots dans le bon ordre pour reconstruire la phrase.
1. (een beetje verdrietig / Ik / vandaag / voel / me)
2. (jij / Hoe / na het examen / voel / je / ?)
3. (ons / We / haasten / moeten / de bus vertrekt zo!)
4. (hij / Vandaag / veel beter / voelt / zich)
5. (zich / Mijn ouders / altijd / maken / zorgen om mij)