Een mooie dag voor Anna

Anna voelt zich niet goed vandaag. Ze voelt zich moe en alleen. Dan gaat ze naar buiten. De zon schijnt. Nu voelt ze zich al veel beter.

In het park ziet ze een vriend. Ze praten samen. Ze voelt zich vrolijk en blij. Wat een fijne dag !

Illustration

Grammatica 2 ⚡

Pour parler de tes émotions et de tes habitudes quotidiennes en néerlandais, tu as besoin des verbes pronominaux (réfléchis) — comme "zich voelen" (se sentir).

1. Wat is een wederkerend werkwoord ?

Un verbe pronominal se construit avec un pronom réfléchi qui renvoie au sujet (comme "se" en français : se sentir, s'ennuyer...). En néerlandais, ce pronom change selon la personne :

ik voel mewe voelen ons
je voelt jejullie voelen je
hij/ze/het voelt zichze voelen zich
Hoe voel je je vandaag ? — Ik voel me goed, dank je !

2. Veelgebruikte wederkerende werkwoorden

zich voelen se sentir

Ik voel me blij.

zich vervelen s'ennuyer

Hij verveelt zich op zondag.

zich haasten se dépêcher

We moeten ons haasten!

zich vergissen se tromper

Sorry, ik vergis me vaak.

zich amuseren s'amuser

De kinderen amuseren zich in de tuin.

zich zorgen maken se faire du souci

Mijn ouders maken zich zorgen.

3. Plaats van het wederkerend voornaamwoord

Comme le verbe, le pronom réfléchi suit la règle de la 2e position du verbe conjugué — le pronom vient juste après :

sujet + verbe + pronom réfléchi
Ik voel me moe vandaag.
Waarom verveel jij je altijd in de klas ?

⚠️ En cas d'inversion (question, ou phrase commençant par un complément), le pronom réfléchi suit le sujet :

Vandaag voelt hij zich beter.

Oefening 1 : Vul het juiste wederkerend voornaamwoord in ! 🧠

Choisis parmi : me, je, ons, zich.

a) Ik voel heel gelukkig vandaag.
b) Voel je wel goed ?
c) Mijn zus verveelt tijdens lange autoritten.
d) We maken zorgen om onze oma.
e) Sorry, ik heb vergist van straat !
f) De leerlingen amuseren tijdens de speeltijd.

Oefening 2 : Zet de zinnen in de juiste volgorde 🧠

Clique sur les mots dans le bon ordre pour reconstruire la phrase.

1. (een beetje verdrietig / Ik / vandaag / voel / me)

een beetje verdrietig Ik vandaag voel me .

2. (jij / Hoe / na het examen / voel / je / ?)

jij Hoe na het examen voel je ?

3. (ons / We / haasten / moeten / de bus vertrekt zo!)

ons We haasten moeten de bus vertrekt zo! !

4. (hij / Vandaag / veel beter / voelt / zich)

hij Vandaag veel beter voelt zich .

5. (zich / Mijn ouders / altijd / maken / zorgen om mij)

zich Mijn ouders altijd maken zorgen om mij .