← Terug Groupe verbal — S1

⚡ Les auxiliaires de mode

moeten, kunnen, mogen, willen, zullen — sens, conjugaison et structure de la phrase.

1. Les 5 auxiliaires modaux

VerbeSens principalNuance
moetendevoir / il fautobligation
kunnenpouvoir / être capablecapacité, possibilité
mogenavoir le droit / pouvoirpermission
willenvouloirdésir, volonté
zullenfutur / conditionnelpromesse, prévision, zou = cond.

2. Conjugaison OTT — toutes les personnes

moetenkunnenmogenwillenzullen
ikmoetkanmagwilzal
jemoetkunt / kanmagwilt / wilzult / zal
hij/ze/hetmoetkanmagwilzal
wemoetenkunnenmogenwillenzullen
julliemoetenkunnenmogenwillenzullen
zemoetenkunnenmogenwillenzullen

⚠️ Formes irrégulières à retenir !

kunnen : ik kan / je kunt ou kan / hij kan
willen : ik wil / je wilt ou wil / hij wil
zullen : ik zal / je zult ou zal / hij zal
Ces verbes n'ont pas de -t à la 1ère personne (contrairement aux verbes réguliers) !

3. Structure dans la phrase

Modal + infinitif EN FIN de phrase

Le modal se conjugue et prend la 2e position, l'infinitif du verbe principal va en toute fin de phrase.

Ik moet naar school gaan. Je dois aller à l'école.
Hij kan niet komen. Il ne peut pas venir.
Jullie mogen hier niet roken. Vous n'avez pas le droit de fumer ici.
Morgen wil ze vroeg opstaan. Demain elle veut se lever tôt. (inversion)

4. Nuances importantes

⚠️ Niet moeten ≠ Niet mogen !

niet moeten = ne pas être obligé de (≠ "ne pas devoir")
Je moet de afwas niet doen. = Tu n'es pas obligé de le faire.

niet mogen = ne pas avoir le droit de (interdit !)
Je mag hier niet roken. = Tu n'as pas le droit de fumer ici.

Hoeven te = ne pas avoir besoin de

Hoeven te est le vrai équivalent du "ne pas devoir" négatif :
Je hoeft niet te + infinitif = tu n'as pas besoin de / tu ne dois pas nécessairement
Je hoeft niet te betalen. (Tu ne dois pas payer = c'est gratuit.)

ConstructionSensExemple
moet + infinitifil faut / doitIk moet werken.
hoeft niet te + inf.n'a pas besoin deJe hoeft niet te helpen.
mag niet + infinitifn'a pas le droit deJe mag niet stelen.
kan niet + infinitifne peut pas (incapacité)Ik kan niet zwemmen.

✏️ Exercice 1 — Choisissez le bon modal

✏️ Exercice 2 — Conjuguez les modaux

Écrivez la forme correcte du modal entre parenthèses.

1. Ik (moeten) werken.
2. Je (kunnen) goed zingen.
3. Hij (willen) voetballen.
4. We (mogen) hier parkeren.
5. Jullie (moeten) stil zijn.
6. Ze (zullen) morgen komen.
7. Ik (mogen) niet roken.
8. Je (willen) naar huis gaan.
9. Hij (kunnen) niet zwemmen.
10. We (zullen) het proberen.

✏️ Exercice 3 — Reformulez avec le bon modal

Réécrivez la phrase en utilisant le modal entre parenthèses.

1. Het is verboden hier te parkeren. (mogen) →
2. Het is noodzakelijk dat je naar school gaat. (moeten) →
3. Het is niet nodig dat je betaalt. (hoeven) →
4. Het is toegestaan om hier te zitten. (mogen) →
5. Ik ben niet in staat om te rijden. (kunnen) →